De stengel en de bladeren

De stengel

Plantenstengels hebben twee belangrijke funkties: ze ondersteunen de bladeren en bloemen en ze vervoeren water en voedsel van plaats tot plaats binnen de plant. De typerende stengel is cilindervormig en kan zacht zijn (kruidachtig) of hard (houtachtig). Hij is meestal vertakt en van bladeren voorzien. Het punt waar een blad aan de stengel vastzit, wordt de knoop (nodus) genoemd. Er bevinden zich verschillende knopen (nodi) op een stengel, elk gescheiden door een bladerloos internodium. Knopen zijn in feite miniatuur-stengels (scheuten) die zich nog niet verlengd hebben. Elke knoop heeft één of meer bladeren, waarvan elk een knop heeft in de hoek (oksel). Deze okselknoppen blijven vaak ’slapende’, maar ze kunnen een tak produceren, vooral wanneer de hoofdstengel beschadigd is. De bladeren zijn verzameld om de top (groeipunt). In de winter zijn de knoppen het best te zien. De buitenste bladeren liggen als beschermende lagen rondom de jonge stengel. Wanneer deze schaalbladeren in de lente afvallen, laten ze ringvormige littekens achter op de stengel. De leeftijd van een houtachtige twijg kan vastgesteld worden door deze littekentjes te tellen.

De bladeren

Bij het opvegen van de herfstbladeren zal men zich wel eens afvragen waarom de bomen zoveel bladeren voortbrengen, alleen om ze in de herfst te laten vallen. Waarom hebben planten eigenlijk bladeren?

De bladeren zijn eigenlijk de ‘voedselfabrieken’ van de plant - doorwrochte strukturen, waarin zich het levensbelangrijke proces van de fotosynthese afspeelt. Dit is het proces waarbij suikers worden vervaardigd uit kooldioxyde en water. Een typisch blad (zoals dat van de beuk) bestaat uit een platte schijf (lamina) en een steel (petiole) die het blad met de stengel verbindt. Er is niet altijd een steel aanwezig; in dat geval wordt er van het blad gezegd dat het zittend of ongesteeld is. Planten met grote bladeren, zoals de rabarberplant, hebben grote bladstelen: een rabarbersteel die we als groente kennen, is eigenlijk een bladsteel.

Het licht gezwollen deel van de stengel waaruit het blad ontspringt, wordt de knop genoemd. Elke knop kan één of meer bladeren dragen, die zó gerangschikt zijn dat geen enkel blad door een ander blad volledig wordt overschaduwd. Het hoekpunt tussen het blad en de stengel wordt de oksel genoemd, hierin bevindt zich gewoonlijk een knop. De vorm van de verbinding tussen blad en stengel verschilt bij de diverse plantesoorten. De basis van een blad omgeeft soms zelfs de stengel. Bladeren die in een groep uit kleine ondergrondse stengels ontspringen (zoals bij de sleutelbloem of weegbree) worden ingewortelde bladeren genoemd, deze vormen een rozet.

De eerste bladeren van een plant zijn de cotyledonen (zaadlobben). Deze zijn aanwezig in het zaad. Bloeiende planten worden verdeeld in monocotyledonen (éénzaadlobbigen) en dicotyledonen (tweezaadlobbigen) al naargelang er één of twee zaadblaadjes (zaadlobben) aanwezig zijn. De zaadlobben komen niet altijd boven de grond wanneer de zaden ontkiemen en indien ze dat wel doen, lijken ze meestal niet op de latere bladeren.

Over het blad lopen een aantal richels (nerven), die de plaats aangeven van de geleidende vaten die water en voedsel vervoeren. Bij de tweezaadlobbigen vormen de nerven een netwerk, maar bij de éénzaadlobbigen lopen de nerven parallel aan elkaar, zonder dat er een netwerk wordt gevormd: ze zijn parallelnervig. Bladeren van éénzaadlobbigen zijn meestal lang en vrij smal, zoals bij grassen, irissen en narcissen. De bladvormen van tweezaadlobbigen verschillen echter enorm, al naargelang de rangschikking van de nerven en de ontwikkeling van de bladschijf.

Indien de rand van het blad glad is - zoals bij het blad van de liguster - wordt het blad gaaf genoemd. Vaker heeft een blad echter een rand die in zekere mate getand is: de bladschijf ontwikkelt zich niet geheel tussen de hoofdnerven. Deze situatie bereikt zijn hoogtepunt bij de samengestelde bladeren, waar elke hoofdnerf een apart bladschijfje of blaadje heeft. Indien er één hoofdnerf - het vervolg van de bladsteel - is, dan is het samengestelde blad veernervig (zoals bij de es en de roos). Indien er verschillende hoofdnerven zijn, elk met een blaadje, dan wordt het samengestelde blad handnervig genoemd (zoals het kastanjeblad).

Aan de voet van het bladsteeltje komen ook vaak steunblaadjes voor. Dit zijn uitgroeisels die in vorm verschillen, van groene bladachtige strukturen (zoals het blad van de roos) tot kleine schubjes of soms tot stekels.


Het vallen van de bladeren

Bladeren worden van tijd tot tijd bij alle planten vervangen, zelfs bij de altijd groene planten en tropische bomen, maar in deze gevallen worden ze er niet allemaal tegelijk afgeschud. Alleen de bladverliezende bomen raken wel eens al hun bladeren tegelijk kwijt.

Wanneer een blad vervangen moet worden, vormt zich een kurkachtige substantie tussen het blad en de stengel. Wanneer deze laag van kurkachtig gezwel kompleet is, wordt het blad slechts door de vasculaire weefsels met de stengel verbonden. Deze knappen af bij een windstoot of na vorst en dan valt het blad af, met achterlating van een litteken op de stengel. Het afvallen van de bladeren is dus een levensproces, met inbegrip van de vorming van speciale weefsels. Voordat het blad valt, vertoont het vaak rijke kleuren: het rood en goud van de herfst. Deze kleuren houden verband met chemische veranderingen die gepaard gaan met de verwijdering van voedselstoffen uit het blad.

Variaties in de bladvorm

Het typische platte groene blad is vaak aangepast voor andere doeleinden. De planten die bekend staan als sapplanten, hebben dikke vlezige bladeren, die dienen als wateropslagplaats voor planten die leven in streken waar een onregelmatige regenval is. Bladeren voor voedselopslag worden gevonden bij de bollen (ui), waarvan de vlezige bladeren voedsel opslaan voor het volgende groeiseizoen. Hechtranken bij klimplanten wikkelen zich om steunpunten heen. Het kunnen gewijzigde stengels, bladeren of steunbladeren zijn. Vlees-etende planten hebben speciaal gevormde bladeren die de insekten aantrekken en vangen. Bladeren kunnen ook tot stekels gereduceerd zijn bij planten waarvan de stengel de fotosynthese van het voedsel overneemt, zoals bij de brem.