Salix (Wilg)

 
Wilgen worden van oudsher en nog steeds in griendcultures gebruikt, en als knotbomen langs erf en perceelafscheidingen. Een knotwilg zal iedereen wel in de winter kunnen herkennen, evenals een treurwilg. ‘Gewone’ wilgen hebben als jonge boom een gladde schors, die later diep gegroefd wordt. De kleur van de schors is donkerbruin of grijs. De kroon van de boom is onregelmatig net als de stam en de takken. Het geheel doet wat rommelig aan. Wilgen zijn nauw verwant aan populieren, met in de winter dit verschil dat een wilg geen of hoogstens slecht ontwikkelde eindknoppen heeft, terwijl deze bij een populier juist opvallen omdat ze groot en puntig zijn. Aan het eind van de winter staan wilgen in de startblokken om uit te lopen zodra de temperatuur dit toelaat en tonen ze opvallend witte, viltige omhulsels van de knoppen.

Wilgen zijn er in soorten, zoals de katwilg, treurwilg, schietwilg en de kraakwilg. Uit de schietwilg en in het bijzonder de kraakwilg zijn de zogenaamde knotwilgen ontstaan. De katwilg komt meer voor als een struik en wordt dan ook niet geknot maar tot de grond afgehakt, waardoor deze wilg de lange buigzame twijgen vormt.

Naast knotwilgen kan de natuurwandelaar ook knotpopulieren en knotessen tegenkomen. Vaak groeien ze in houtwallen, tezamen met geknotte iepen en eiken. in vochtige gebieden zijn misschien zelfs nog knotelzen te bewonderen.

Zonder ingrijpen van de mens ontstaan geen knotten. Zo ongeveer eens in de drie tot vijf jaar worden nieuw gevormde twijgen verwijderd en ontstaan de knoesten boven aan de stam.

Van de wilgen is de knotwilg wel de bekendste in ons landschap. Vooral oude exemplaren trekken de aandacht. Langs de Kikvorsenweg in Hall, even voorbij het Hallse fietspad, staan dergelijke exemplaren. Afgelopen seizoen zijn deze bomen door de Venelgroep van het IVN geknot. Doordat de knoesten gemakkelijk inwateren, verrot het zachte kernhout en zo ontstaan holle boomstammen. Van de jonge wilgen is het kernhout nog niet verrot zodat deze nog uit een dichte opgroeiende stam bestaan.

In ons land bestaat de knotwilg al vele eeuwen. Van de wilgetenen is reeds voor onze jaartelling gebruik gemaakt, vooral in het lage gedeelte in ons land kwam de knotwilg algemeen voor. Hij stelt weinig eisen aan de grond en gedijt het best op vochtige plaatsen en kan gemakkelijk worden voortgeteeld, Een staak in het najaar in de grond gezet zal het volgende jaar zich al met de eerste takken tooien.

Een bekend product van de wilg is het rijshout dat werd en nog wordt gebruikt voor de aanleg en instandhouding van dijken en kribben. Er worden zinkstukken van gemaakt die de voet van dijk en krib beschermen. Deze toepassing vindt hoe langer hoe minder plaats en wordt vaak vervangen door ander materiaal.

Een andere veelvuldige toepassing van wilgenhout was en is het maken van klompen. Deze klompen zijn duurzamer dan de klompen gemaakt van populierenhout. Nog een ander gebruik van wilgentenen was en is het maken van diverse vlechtwerken, bijvoorbeeld bestemd voor afscheidingen. Het vlechthout voor het maken van manden wordt gekookt om die mooie rode kleur te krijgen.

Deze voorbeelden tonen aan dat de wilg een belangrijke functie vervulde voor de mens. Ook het zogenaamde geriefhout, waarbij de bestemming varieerde van bonestaken tot extra steun op de vloerdelen van de hooizolder. Maar vele functies zijn langzaam maar zeker verdwenen, vandaar dat knotwilgen in hoog tempo uit het Nederlandse landschap verdwijnen. Gelukkig is er een tendens dat men inziet dat deze oerhollandse boom behouden moet blijven en nog steeds om verschillende redenen waardevol is.

Knotten dragen bij om een landschap te stofferen; in een open gebied vormen ze vaak de einder. In besloten landschappen, nabij boerenerven, langs wegen en paden geven zij een aantrekkelijk beeld in het landschap. Met dijken, sloten, beken en oude boerderijen bepalen zij mede het karakter in menige streek, zoals onder anderen de IJsselstreek.

Zowel de flora als de fauna maken dankbaar gebruik van de knotten. In de kom van de vermolmde holle boomstammen ontstaat op den duur een prima voedingsbodem voor verschillende planten, een compost van vele wilgenblaadjes. Vroeger werd deze grond als potgrond gebruikt. Planten die zich in een knotwilg kunnen vestigen zijn vele. Om er enkele te noemen: eikvaren, brandnetel, kamperfoelie, vlier, lijsterbes en zeifs aalbes. Een kenmerkende begroeiing zijn ook sommige mossoorten. Zaadjes en pitjes worden door vogels meegebracht en dragen op deze manier bij tot deze floravariatie.

Bunzingen en muizen weten de knoestige oude knotwilgen te waarderen en ze zijn vaak de woonplaats voor vele vogels: in de holen en gaten is een prachtige nestgelegenheid te vinden voor onze gevederde vrienden. Er is hier letterlijk alles van hun gading. Het is een prachtige schuilgelegenheId bij koud en slecht weer, en vooral voor de kleine zangers is er voedsel in overvloed. Belangrijk is ook dat ze hier een geschikte broedgelegenheid vinden. Diep verscholen in de holen en gaten kunnen ze ongestoord hun kroost groot brengen. Dit kroost is onverzadigbaar. Het ouderpaar vliegt af en aan om hun jongen met insecten te voeden en verlossen ons op deze manier van een insectenplaag. En hebben we te maken met een muizenplaag dan hebben we altijd nog de torenvalk. Zijn menu bestaat voor bijna honderd procent uit muizen. Stil in de lucht staand duikt hij uiteindelijk naar beneden om een muis te verschalken.

Daarnaast hebben wij nog een vaste bewoner van de knotwilg die er zijn mag wat het opruimen van muizen en ander gedierte betreft, namelijk het steenuiltje. Deze uilensoort heeft wel een bijzondere voorliefde voor knoestige knotwilgen. Het is onze kleinste uil en kan uren stilzitten tegen de stam van een boom. In de schemer wordt hij actief en gaat op jacht naar muizen en allerlei insecten. Wanneer een steenuiltje zich ontdekt weet, maakt hij rare knikkende bewegingen om daarna plotseling in een golvende vlucht een veilig heenkomen te zoeken.

Je zou het bijna niet zeggen maar ook een eend broedt in een knotwilg. Soms hoog en droog in de top van de wilg. Jonge vogels moeten zich dan wel van deze hoogte uit de boom laten vailen om het water te bereiken.

Uit het vorenstaande moge blijken dat het behoud van knotwilgen van onschatbare waarde is voor een rijk vogelleven. En al is de functie van de wilg als gebruiksvoorwerp voor de mens vrijwel tot nul gedaald, toch kan deze boom in ons landschap niet gemist worden. Want wees nou eerlijk, wat is ons land nu zonder deze oeroude knot? Zijn silhouet heeft menig dichter en schilder geïnspireerd. De wortels verstevigen weg- en slootkanten en de takken geven een welkome schaduw voor het vee tijdens de hete zomerdagen. Het hout kan in onze kachels worden gestookt en de staken kunnen worden gebruikt voor nieuwe aanplant. Ja, zelfs voor papierhout komen wilg en ook de populier in aanmerking. Daarenboven zijn de takken een welkome aanvulling op het menu van de apen (de door Venel-groep gekapte takken zijn regelmatig bestemd voor de apen in Apenheul te Apeldoorn).

Nadat bij knotwilgen de takken zijn afgezaagd, zullen de knoesten in het voorjaar opnieuw uitlopen. Reeds de jonge loten met hun bladertooi geven een prachtig accent aan de boom en in een volgend jaar zullen de loten hun tooi steeds beter laten uitkomen. Na drie tot vijf seizoenen zijn de loten zo ver gevorderd dat knotten noodzakelijk wordt en daarmede is de cyclus voltooid.