Picea (Spar)

Het geslacht Picea, oftewel de spar, is een van de meest decoratieve familieleden van de Coniferae, de kegeldragers. Net als alle naaldbomen is de spar opgewassen tegen barre en koude omstandigheden, maar hij doet het minder goed op uitgedroogde of heel arme gronden. In Europa geniet het geslacht algemene bekendheid als ‘kerstboom’ - zulks ondanks de veel gezongen verzen van het kerstlied ‘O, denneboom!’

Sparren tellen een veertigtal soorten die verspreid voorkomen over het hele Noordelijk Halfrond. Ongeveer de helft is inheems in China. De glanzend groene naalden van sparren zijn heel dik en kunnen de verdamping sterk beperken. Toch blijkt de waterbehoefte van de spar groter te zijn dan die van de den. Sparren zijn eenhuizig, wat bij een boom betekent dat de mannelijke en vrouwelijke bloeiwijzen op verschillende takken staan. De kegels vertonen een variatie aan kleuren: de vrouwelijke zijn purper, de mannelijke geel of rood. Beide staan eerst omhoog en gaan pas hangen als ze rijp zijn. In de jeugd verliezen ze hun naalden niet, alleen naalden van twaalf jaar en ouder worden tijdens het groeiseizoen geruid. In hun natuurlijke groeigebieden worden de bomen tot veertig of vijftig meter hoog en zeer dik. Over het algemeen kunnen zij tweehonderd jaar oud worden, hoewel er soms meldingen zijn van sparren die vijf- tot achthonderd jaar oud zijn. Een Picea engelmannii in de VS spant de kroon met een bewezen leeftijd van 921 jaar.

In Nederland

In Nederland gedijen sparren goed als jonge boom, maar ze worden zelden oud; het gevaar van parasitaire schimmels ligt op de loer. Schimmels die wortel- en stamrot veroorzaken zorgen ervoor dat sparren meestal niet ouder worden dan zestig jaar. De oudste en hoogste exemplaren groeien in Nederland op de Noord-Veluwe en in Drenthe, meestal in beschutte, bosrijke gebieden met een koel en vochtig microklimaat.

De eerste spar in Nederland was de fijnspar (Picea abies), onze traditionele kerstboom. Deze werd pas relatief laat in Nederland geïntroduceerd, vanaf 1780, toen er bossen van werden aangeplant voor productie van timmerhout. We vinden sparren nu nog voornamelijk terug in bossen op de voedselarme zandgronden van de Veluwe, Noord-Brabant, Drenthe en de Utrechtse Heuvelrug. Meestal groeien zij op redelijk vochthoudende bodems en soms op laaggelegen gronden waar grondwater bereikbaar is voor hun wortels. Ook op natte, venige bodems kunnen fijnsparren goed groeien, bijvoorbeeld in de Hoge Venen in België. Dit natuurgebied heeft een dunne doorwortelbare venige bovenlaag die in het groeiseizoen droogvalt en is daarmee voor de fijnspar een goed groeigebied.

Mooie fijnsparren vinden we in Paleispark Het Loo in Apeldoorn, waar sommige bomen meer dan honderd jaar oud zijn en meer dan dertig meter hoog.

De sitkaspar uit West-Canada is gebonden aan koele en regenachtige streken. In zijn natuurlijk groeigebied, waar stamhoogtes van 50-70 meter kunnen worden bereikt, is dit de belangrijkste houtproducent. Dit heeft bosbouwers geïnspireerd de sitkaspar ook in Europa aan te planten. In het regenrijke West-Engeland zijn veel houtproductiebossen met succes op venige bodems aangeplant, meestal voor productie van timmerhout. In Nederland zijn ze in de jaren dertig en vijftig veel aangeplant in de duingebieden en op de Veluwe als alternatief voor de fijnspar. De sitkaspar bleek echter geen goed groeiende boom voor Nederlandse omstandigheden. Er zijn nog wel verspreide sitkasparren in groepjes of in kleine opstanden te vinden, als restanten van vroeger aangeplante productiebosjes. Vanwege hun zeer scherpe naalden zijn ze niet erg geliefd als boom voor de tuin.

In openbare beplantingen plant men liever geen sparren, omdat men wil profiteren van het schaarse licht in de winter. Dit geldt zeker in een stedelijke omgeving, waar hoge gebouwen ook al veel zonlicht wegnemen. Bladverliezende bomen vervullen veel beter de lichtregulerende functie van schaduw in de zomer en licht in de winter. Als lage, jonge bomen doen sparren echter uitstekend dienst, meestal als onderdeel van groenblijvende beplantingen, gemengd met andere coniferen. Strooizout is funest, want de wortels van sparren blijken daar zeer gevoelig voor.

Een uitgebreid sortiment sparren kunt u bewonderen in Pinetum Schovenhorst in Putten op de Veluwe, Pinetum Ter Borgh in Anloo, het Von Gimborn Pinetum in Doorn en Pinetum Blijdenstein in Hilversum. Het bekendste gebied in Europa voor fijnsparren is het Nationaal Park Beierse Woud op de grens van Duitsland en Tsjechië, waar de oudste fijnsparren 470 jaar oud zijn.

In de tuin

Sparren hebben een slechte naam dankzij de zieltogende exemplaren die het als afgedankte kerstboom ook nog even in de tuin mogen proberen. Een goed gekozen, goed verzorgde spar kan echter wel degelijk een waardevolle tuinboom zijn. Hun glanzend donkergroene of grijzige uiterlijk, sierlijk afhangende takken en kleurige kegels maken ze een aanwinst. Struikvormen, zoals de kegelvormige Picea glauca ‘Conica’ worden vooral in de rotstuin toegepast. Van de bomen zijn er een zestal die in Nederland worden aanbevolen voor gebruik in de tuin. Dit zijn de fijnspar (Picea abies), de Servische spar (Picea omorika), de sitkaspar (Picea sitchensis), de blauwspar (Picea pungens), de Kaukasische spar (Picea orientalis) en de treurspar (Picea breweriana).

De fijnspar - onze kerstboom - kweekt men al eeuwenlang en er zijn veel verschillende selecties van gemaakt. Zo is de cultivar ‘Columnaris’ met zijn zuilvormige habitus en korte zijtakken een gewild groenblijvend element in tuinen met een vochthoudende bodem. Maar eigenlijk is de Servische spar meer geschikt voor Nederland dan de fijnspar. Deze soort is geliefd vanwege het slanke silhouet van de boom en de grijze takken die net iets omhoog wippen aan de uiteinden. Van nature komt deze spar voor in het westelijk Balkangebied, waar hij drogere zandgronden verdraagt en ook kalk. De boom is pas in 1877 ontdekt en pas rond 1900 voor het eerst in Nederland geïntroduceerd. Een treurvorm ‘Pendula’ maakt dezelfde grijzige indruk. De Kaukasische spar komt uit de Turkse randgebergten en de Kaukasus. Deze lijkt nog het meest op de fijnspar, maar de naalden zijn veel korter en zeer glanzend donkergroen. Ook de kegels zijn veel kleiner. Deze soort verdraagt zeer arme en ook droge grond. Mooie grote bomen zijn te bewonderen in Pinetum Schovenhorst. Dit is voor Nederlandse tuinen en parken een veel betere boom dan de bekendere fijnspar omdat hij beter droogte verdraagt.

De blauwspar groeit van nature in de Rocky Mountains. De zilverblauwe ‘Koster’ en eerder grijsblauwe ‘Hoopsi’ zijn twee Nederlandse cultivars, fraaie, doch stijve blikvangers voor een grote tuin.

Tot slot mag de treurspar niet ontbreken. Jammer genoeg is dit een boom die men in Nederland weinig ziet. Het dichte, glanzend groene silhouet van de sierlijk afhangende takken geeft een dramatisch effect. Dit is ook een aan te raden blikvanger voor een gemeentelijk plantsoen - mits er geen strooizout in de buurt komt.

Zeer gevarieerde gebruikswaarde

Sparren zijn internationaal van groot economisch belang. Ze leveren vurenhout, een houtsoort die uitstekend geschikt is voor constructies, binnenbetimmeringen en vezelhout. Het is echter ongeschikt voor meubels of voor buitengebruik omdat het weinig duurzaam is. Vurenhout is zeer snel gegroeid hout, dat daardoor licht is en zelfs werd gebruikt in de vliegtuigbouw.

Een speciaal gebruik van vurenhout is de toepassing voor klankkasten voor muziekinstrumenten, vooral violen, bassen en cello’s. De muziekinstrumenten van vioolbouwer Antonius Stradivarius zijn beroemd door het grote vakmanschap, maar ook door de toepassing van zeer langzaam gegroeid vurenhout. Dr. Henri Grissino-Mayer van de Universiteit van Arizona heeft veel onderzoek gedaan naar jaarringen en hij ontdekte, toen hij het hout van vioolkasten onderzocht, dat het door Stradivarius gebruikte vurenhout tijdens de Kleine IJstijd is gegroeid (d.w.z. tussen 1645 en 1715). In die tijd van lage temperaturen en lange winters groeide het hout extreem langzaam met als gevolg een dichte structuur van het hout. Dit zorgde mede voor de uitstekende klankkwaliteit van de instrumenten.

Vlak onder de strooisellaag in sparrenbossen bevinden zich lange, zeer soepele en zeer sterke wortels. Deze sparrenwortels zijn geschikt voor het vervaardigen van touw; in Noord-Amerika was het van oudsher een gebruik om met deze sparrenwortels visfuiken en manden bijeen te binden.

De altijdgroene gedaante van de spar staat voor vele vormen van symboliek en is bekend in de mythologie. In de mythologie staat de spar bekend als geboorteboom. De sparappel is een teken van vruchtbaarheid. Bij de Grieken was de fijnspar gewijd aan Artemis, de godin van de wilde dieren en de jacht. Sommige Siberische volken vereren de fijnspar als heilige boom; vanwege zijn altijdgroene uiterlijk en zijn lange levensduur daar (tot 700 jaar) staat hij symbool voor het eeuwige leven. Bij ons is hij nu vooral bekend als kerstboom, waarbij de boom met lichtjes in de donkere dagen van het jaar ons de terugkeer van het licht belooft. Als kerstboom moet de spar nu steeds meer concurreren met de nauw verwante zilverspar (genus Abies).

Het woord spar

Spar komt in het Middelnederlands al voor (13e eeuw) maar dan in de betekenis van ‘lange dunne paal’. Staken en dakspanten maakte men mogelijk van sparrenhout en later - vanaf begin 18e eeuw - ging het woord ook over op het boomgeslacht zelf.

De vroeger bekende kruideniersreclame ‘Kopen bij de Spar is sparen bij de koop’ is mooi gevonden maar introduceert een onjuiste taalkundige verwantschap. ‘Sparen’ is afgeleid van het Oudkerkslavische woord ’sporu’ voor overvloedig (13e eeuw) en heeft niets met bomen van doen.

In de ons omringende talen heeft men heel verschillende woorden voor (fijn)spar, woorden die soms ook op verwarring met zilverspar en zelfs met den duiden. Duits: Fichte, Tanne; Engels: spruce-fir; Frans: épicéa (vergelijk Picea); Spaans: abeto (vergelijk Abies!); Zweeds: gran. Wij maken het ook niet duidelijker door als kerstlied ‘O denneboom’ te zingen bij de kerstspar …

Spar of den?

Sparren en dennen worden vaak door elkaar gehaald. Een spar is herkenbaar aan de alleenstaande en scherp gepunte naalden, die een vierkante doorsnede hebben en vergroeid zijn met de twijg. Als je wat naalden van een twijg trekt, gaat er een stukje van de schors mee. Andere naaldbomen, zoals de den, hebben alleenstaande, platte naalden zonder scherpe punten en deze staan meestal in bundels aan de takken.

Bij dennen bestaan de bundels, afhankelijk van de soort, uit 2 tot 7 naalden. Onze gewone den, Pinus sylvestris, heeft 2 naalden in een bundeltje aan de twijg.